Sessie Drenthe en Amsterdam-Amstelland

Sessie Drenthe en Amsterdam-Amstelland

Op 6 september 2016 vond in de brandweerkazerne van Kampen de laatste interregionale sessie plaats met de veiligheidsregio’s Amsterdam-Amstelland (AA) en Drenthe.

Aanwezig waren vooral operationele functionarissen, zoals OvD-BZ, AC-BZ, hoofd publieke zorg, hoofd verzamelplaats (AA) en hoofd regionaal actiecentrum (AA) aangevuld met een enkele functionaris die zich bezighoudt met de voorbereiding.

Hoewel het verschil in aard en omvang van beide regio’s groot is, bleken er toch verrassend genoeg ook overeenkomsten te zijn. Een opvallende overeenkomst is dat beide regio’s in vergelijk met andere regio’s in Nederland met een andere crisisorganisatie werken. De kern van beide crisisorganisaties, waar bevolkingszorg onderdeel van uitmaakt, is dat deze minder complex zijn vormgegeven. Dat houdt onder andere in dat de operationele functionarissen op de plaats incident zorg dragen voor de praktische uitvoering van het gehele incident. Hierdoor worden zij ‘gedwongen’ om op de plaats incident zelf alle problemen op te lossen.

Maar er is ook een duidelijk verschil tussen beide regio’s. AA heeft in vergelijking met Drenthe, maar dit geldt ook voor de meeste regio’s in Nederland, de bevolkingszorg volledig geregionaliseerd. Dat houdt in dat bevolkingszorg door de gemeente Amsterdam voor alle zes gemeenten in de regio wordt uitgevoerd. In AA kan men gezien het beperkt aantal gemeenten daardoor volstaan met een beperkt aantal operationele functionarissen. Ter illustratie: ‘maar’ vier functionarissen vullen het OvD-piket. Deze OvD’s kunnen daardoor in vergelijking met Drenthe, waar 18 functionarissen het OvD-piket vullen, meer praktijkervaring opdoen. Verder kent AA, in tegenstelling tot Drenthe en alle andere regio’s in Nederland, geen Algemeen Commandant Bevolkingszorg. AA kent drie (regionale) actiecentra voor communicatie, publieke zorg en omgevingszorg die aangestuurd worden door drie verschillende hoofden.

Tijdens de sessie werd specifiek ingaan op de prestatie-eisen uit BZOO die gaan over het faciliteren en stimuleren van zelfredzaamheid: Hoe doe je dat, wat heb je daarvoor nodig en hoe voorkom je dat ‘zelfredzaamheid’ een vrijbrief wordt om helemaal geen zorg meer te verlenen? ‘Bestuurders willen immers niet in de krant zien staan: gemeente laat mensen aan hun lot over.’ De focus tijdens de sessie lag vooral op het proces ‘opvang en verzorging’.

De meeste aanwezigen hebben de nodige ervaring met dit onderwerp, dat wil zeggen dat zij in hun praktijk al anticiperen op de zelfredzaamheid van mensen. Van een standaardreflex om mensen op te vangen zou dan ook geen sprake (meer) zijn. Een aantal aanwezigen vroeg zich daarom af of het onderwerp wel zoveel aandacht behoeft. Daar komt bij dat men in AA al enige jaren aandacht heeft voor het onderwerp en dat inwoners van Drenthe volgens een aantal aanwezigen door de bank genomen pragmatisch(er) zijn ingesteld. ‘Mijn inmiddels jarenlange ervaring is dat mensen zelfredzaam zijn. Als ik ter plaatse kom is er door inwoners vaak al van alles in gang gezet. Als gemeente hoeven we dan ook eigenlijk niet meer zoveel te doen.’ Een collega OvD, ook met de nodige ervaring, vult aan: ‘Al doende krijg je daarom vanzelf een praktische instelling en organiseer je alleen de dingen die nog eventueel aanvullend gedaan zouden moeten worden.’

 Ook worden er voorbeelden genoemd dat mensen actief gestimuleerd worden om zelf opvang te organiseren. Als good practice werd bijvoorbeeld genoemd een brand in een bejaardenhuis. Daar heeft bevolkingszorg, weliswaar omdat de hotels bomvol zaten, de bewoners geholpen hun familieleden te bellen, zodat zij opgehaald konden worden. ‘Wat voor ons verrassend was dat het vooral de kleinkinderen waren die opa of oma wilden komen ophalen en niet de kinderen zelf.’ Men benadrukte dat het stimuleren van zelfredzaamheid wel afhankelijk is van de situatie. Een enkele OvD-BZ gaf aan dat ze daarom de situatie aan de hand van de volgende richtinggevende vragen beoordelen: Wat doen burgers zelf al? Welke mensen kunnen aangespoord worden om zelf in hun opvang te voorzien? Welke mensen hebben nog eventueel hulp vanuit de gemeente nodig? Juist het beoordelen van de situatie door mensen ter plaatse aan de hand van deze vragen werd tijdens de sessie als essentieel gezien om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren/stimuleren. Ter plaatse wordt vervolgens bepaald of en in welke mate er opvang noodzakelijk is. In AA wordt de OvD-BZ afhankelijk van de omvang van het incident ondersteund door een hoofd verzamelplaats. Dit is iemand die naar de plek gaat waar mensen zich (spontaan) verzamelen. Ook het hoofd verzamelplaats beoordeelt ter plaatse de situatie aan de hand van de bovengenoemde richtinggevende vragen. De coördinator opvang heeft volgens eigen zeggen in Drenthe een soortgelijke functie als het hoofd verzamelplaats; deze persoon gaat in de praktijk naar de plek waar mensen zich spontaan verzamelen dan wel laten opvangen.

Benadrukt wordt dat het uitgangspunt in de werkwijze is dat bevolkingszorg als vangnet fungeert voor mensen die het zelf niet kunnen redden. Welke mensen dit zijn is afhankelijk van de situatie. Bijvoorbeeld bij de flatexplosie in Diemen bleek dat het overgrote deel van de bewoners uit sociaal zwakkeren bestond. Daar had ongeveer 70-80% opvang nodig. Maar bij het incident met de kerk in Uithoorn waarvan de toren dreigde in te storten, bleek veel minder behoefte aan hulp te zijn. De kerk stond tegen een winkelcentrum en een aantal woningen aan. ‘De mensen verzamelden zich op het politiebureau waar we constateerden dat iedereen zelf noodopvang aan het regelen was. Uiteindelijk hebben we van nog een handje vol mensen moeten onderbrengen in een hotel, omdat deze mensen niet zelf iets konden regelen. Het hoofd opvang is overigens wel mee gegaan om ervoor te zorgen dat er geen misbruik werd gemaakt van de situatie.’

Als knelpunt bij het anticiperen en/of stimuleren van de zelfredzaamheid werd genoemd de wijze waarop bestuurders soms als in reflex reageren op een incident. ‘Bestuurders vinden dat de gemeente hulp moet bieden en communiceren dan ook meteen dat wij opvang regelen. En ja, dat is soms wel eens een spanningsveld, omdat wij gewoon ter plaatse zien dat het helemaal niet nodig is. En het is dan bijna ook niet meer mogelijk om dan niets te doen.’

AA kent ook de functie ‘hoofd Regionaal Actiecentrum Publieke Zorg’ die de opvang volgens eigen zeggen al vrij snel voorbereid. Mocht een opvang op aangeven van de OvD-BZ en/of het hoofd verzamelplaats ook echt noodzakelijk zijn, dan kan daar meteen uitvoering aan gegeven worden. Uitgangspunt daarbij is dat ‘we niet melden dat we er zijn, we bereiden ons alleen onder de radar voor. Als je zichtbaar voorzieningen opzet, dan creëer je immers ook een behoefte. Wil je mensen een eigen verantwoordelijkheid laten nemen, dan moet je dat natuurlijk voorkomen.’ Intern moet vanzelfsprekend wel bekend gemaakt worden dat noodzakelijke voorbereidingen getroffen zijn. De operationele functionarissen in het veld (waaronder de OvD-BZ en het hoofd verzamelplaats) worden alleen aangestuurd door het hoofd RAC PZ. Het hoofd RAC zit daarmee als spin in het web tussen de operationele functionarissen in het veld en de overige gemeentelijke functionarissen (in bijvoorbeeld de crisisteams) en bestuurders. Of anders geformuleerd, hij is als enige het aanspreekpunt voor het organiseren van een eventuele opvang en vangt telefoontjes af zodat operationele functionarissen ‘ongestoord’ hun werk kunnen doen, want ‘hoe meer mensen zich ermee gaan bemoeien hoe contra productiever het wordt’. In Drenthe heeft de teamleider opvang een soortgelijke functie. Een essentieel verschil met het hoofd RAC PZ is dat de teamleider opvang alleen over de opvang gaat (en niet zoals het hoofd RAC over publieke zorg) en dat de teamleider functioneert onder verantwoordelijkheid van de AC-BZ (terwijl het hoofd RAC PZ zelf verantwoordelijk is voor de aansturing).

Men gaf aan dat het belangrijk is dat burgers ook aan de voorkant verteld moet worden dat ze tijdens een incident zelf in actie moeten komen. Ook omdat de overheid niet meteen ter plaatse kan zijn. Eigenlijk moet de visie BZOO onderdeel uitmaken van de sociale decentralisaties die gemeenten doormaken; ook in het sociale domein moeten mensen meer hun eigen verantwoordelijkheid nemen.

Door Drenthe werd ook de zelfredzaamheidsoefening genoemd waarin een camping met 125 gasten door een brand ontruimd moest worden. Niet alleen oefenden de 125 gasten mee, ook de campingeigenaar en zijn BHV waren van de partij. Een dergelijke oefening heeft niet alleen meerwaarde voor de professionele hulpverlening maar ook voor de betreffende burgers en de campingeigenaar. Zij werden zich bewust van hun eigen verantwoordelijkheid mede gezien de (on)mogelijkheden van de overheid. Voor meer informatie over deze oefening en de leerpunten wordt verwezen naar het artikel ‘Balanceren tussen zorgen en loslaten’ en de evaluatie van de zelfredzaamheidoefening. Ook AA heeft in het verleden zelfredzaamheidsoefeningen gehouden met ‘echte’ burgers.

Voor enkele andere good practices en ‘tops’ klik hier.